Wonden en genezing

De huid

Bekijk of download HIER de Urgo wondrichtlijn.

 

Urgo Algemene RichtlijnUrgo Algemene Richtlijn 2

 

Met 15% van het totale gewicht is de huid het grootste orgaan van het lichaam, een flexibele membraan die het gehele oppervlak bedekt. De huid beschermt het lichaam doordat deze tot op zekere hoogte bestand is tegen externe invloeden, zoals mechanische invloeden (wrijving, druk) en schade door thermische (warmte) en chemische invloeden (water, zuren, basen). De huid vervult ook – of draagt bij aan – een allerlei andere functies op het gebied van de stofwisseling, het zenuwstelsel, de afweer en de temperatuurregeling.

Anatomie

De huid is opgebouwd uit drie lagen:

anatomy-woundnew

Epidermis (opperhuid)

De buitenste laag van de huid, de epidermis of opperhuid, vormt een buffer tegen invloeden van buitenaf en heeft een beschermende en waterdichte functie. De dikte van de huidlaag varieert en is afhankelijk van het betreffende deel van het lichaam. Gemiddeld is deze 0,5 mm dik, maar kan op de voetzool zelfs 5 mm dik zijn.

Lees meer.

    • stratum corneum of hoornlaag
    • stratum germinativum of kiemlaag

epidermis1

  • stratum basale of basale laag

De basale laag is een laag huidcellen die verantwoordelijk is voor het doorlopend vernieuwen van de opperhuidcellen. Deze laag bestaat uit slechts één rij ongedifferentieerde zuilvormige stamcellen, die zich veelvuldig delen. De helft van de cellen ontwikkelt zich in verschillende richtingen, beweegt zich naar de volgende laag en start daar het maturatieproces (rijping), terwijl de andere helft in de basale laag blijft om deze in stand te houden.
Als de cellen zich naar de hogere lagen van de opperhuid bewegen worden ze platter van vorm, beginnen met het produceren van keratinocyten (hoornstof) en sterven uiteindelijk af.

De cellen van de stratum corneum laag worden corneocyten genoemd. Ze zijn intussen helemaal plat geworden en bestaan voornamelijk uit keratine, dat de laag versterkt.

Lederhuid

De lederhuid is de levende huidlaag. De lederhuid is goed doorbloed en heeft een ondersteunende en verbindende functie. De lederhuid bevat veel weefsel, wat de huid elastisch en sterk maakt.

Lees meer

dermis

  • Bloedvaten en lymfevaten: deze zorgen voor de voedsel- en zuurstofvoorziening voor de levende cellen, afvoer van afvalstoffen en verplaatsing van afweerstoffen.
  • Haarfollikels of haarzakjes: produceren het haar dat het huidoppervlak bedekt.
  • Zweetklieren en vetklieren: zweetklieren ondersteunen de afvoer van afvalstoffen, maar zijn ook essentieel voor de temperatuurregeling. Vetklieren produceren sebum (talg), dat de huid smeert en verzacht.
  • Collagene en elastische vezels: zorgen voor respectievelijk de sterkte en de beweeglijkheid van de huid.
  • Fibroblasten: deze cellen zijn de belangrijkste celtypen in de dermis, zij zorgen voor de productie en de afscheiding van procollageen en elastische vezels voor het vormen van de huidstructuur.
  • Zenuwen: zorgen voor de zintuiglijke functie van de huid door te reageren op warmte, kou, pijn enz.
  • Macrofagen (ruimen lichaamsvreemde stoffen op): fagocytische witte bloedcellen (nemen lichaamsvreemde of geïnfecteerde cellen op en verteren deze) die deel uitmaken van het natuurlijke immuunsysteem en onderdeel zijn van de basale afweer van het lichaam tegen infecties.

Extracellulare Matrix (ECM):

Vervult vele functies, zoals ondersteuning, het scheiden van weefsels en het reguleren van intercellulaire communicatie.

Subcutaan (onderhuids) weefsel

Dit is een glijdende laag van vetcellen, die zorgen voor de overgang en opslag van water en vet. Dit weefsel staat in direct contact met de onderliggende spierlagen.

Lees meer

subcutaneous-tissue

Dit subcutane verbindende weefsel bevat ook grotere bloedvaten en zenuwen. Dit is van belang voor de temperatuurregeling van de huid zelf en het hele lichaam. De dikte van deze laag varieert door heel het lichaam en van persoon tot persoon.

De epidermis en dermis staan duidelijk op zichzelf maar zijn stevig aan elkaar verankerd door de basale laag, die bestaat uit dermale papillen. Er is geen duidelijke begrenzing tussen de dermis en het onderhuidse weefsel.

Wondsoorten

Een wond onderbreekt de continuïteit en de ongeschonden toestand van de huid. Dit kan het gevolg zijn van een verwonding, zowel licht als ernstig, of van een pathologisch of chronisch proces. Wonden kunnen worden geclassificeerd aan de hand van de mate van schade aan de verschillende huidlagen. Het genezingsproces kan zeer uiteenlopend zijn, afhankelijk van de diepte en het mechanisme van de beschadiging.

Acute wonden:

Acute wonden kunnen worden gedefinieerd als wonden die plotseling ontstaan en van korte duur zijn. Hieronder vallen chirurgische wonden en traumatische wonden zoals:

Traumatische wonden

Onder acute traumatische verwondingen vallen zeer uiteenlopende wonden, afhankelijk van de oorzaak.

Deze wonden kunnen gevolgen hebben voor verschillende systemen in het lichaam en aanzienlijk huidverlies veroorzaken of, anderzijds, nauwelijks effect hebben.

Voorbeelden van traumatische wonden zijn lapwonden, verwondingen aan de vingertoppen, schaafwonden, scheurwonden, blaren, kogelwonden, steekwonden en afgescheurde nagels.

Acute wonden genezen meestal zonder complicaties, maar sommige acute wonden genezen niet en worden chronisch. Het genezingsproces is van veel factoren afhankelijk: oorspronkelijk kan de reden van vertraagde genezing bijvoorbeeld een infectie geweest zijn, irritatie of een slecht uitgevoerde chirurgische wondsluiting, een geïrriteerde hechting of de algehele conditie van de patiënt.

Chronische wonden:

Een chronische wond is een wond die niet geneest binnen de te verwachten tijd (21 dagen tot een maand). Door de bijna permanent ontstekingsgevoelige omgeving van de verwonding is genezing volgens het normale verloop onmogelijk.

Lees meer

De aanwezigheid van cellulaire resten in de wond, ontwikkeling van een infectie, hypoxie van de huid (onvoldoende zuurstof in de weefsels) of herhaalde trauma’s kunnen bijdragen aan een traag herstel doordat hierdoor een ontstekingsgevoelige omgeving ontstaat. De omgeving van een chronische wond wordt gekenmerkt door een onbalans tussen de degeneratie van beschadigd weefsel door matrix-metalloproteïnasen (MMP’s) en groeifactoren die fibroblasten zouden moeten stimuleren om nieuw weefsel te produceren. De schadelijke rol van hyperproductie van (MMPs) is op een breed vlak aangetoond in veel verschillende soorten chronische wonden en er is duidelijk geworden dat het neutraliseren van deze MMP’s wondgenezing kan versnellen en chroniciteit kan voorkomen

Patiënten met chronische wonden ervaren ernstige emotionele en fysieke stress en een aanzienlijke financiële last ligt op zowel hun schouders als op die van de hele gezondheidszorg.

Geïnfecteerde wonden

Elke open wond is gevoelig voor infecties, die optreden bij een afweerreactie tegen bacteriën in de wond. Een infectie vertraagt de wondheling, als deze niet snel wordt behandeld kan de infectie zich zowel lokaal als systematisch verspreiden en tot ernstige complicaties leiden.

Infectie

Een infectie ontstaat door verschillende factoren:

  • De aanwezigheid van grote hoeveelheden micro-organismen, > 105/g weefsel.
  • Bacteriële virulentiefactoren (Virulentie: het ziekteverwekkende vermogen van een micro-organisme)
  • Vermindering van het afweervermogen

Een infectie kan beperkt blijven tot de wond zelf, of het hele lichaam kan erbij betrokken worden, de systemische infectie.

Lokale of systemische klinische symptomen zijn onder andere:

lokale ontsteking:  Systemische symptomen: koorts e.d.
warmte:
ontstekingsreactie
geur: 
genezing stagneert
pijn: 
verslechtering en achteruitgang van de wonden
pus: 
botcontact

Micro-organismen die vaak een infectie veroorzaken zijn o.a. de volgende bacteriën:

  • Staphylococcus aureus
  • Streptococcus pyogens
  • Enterococcus faecalis
  • Enterococcus faecalis e.g. E. coli
  • Pseudomonas aeruginosa

Ook kunnen wonden voordat zij geïnfecteerd worden door bacteriën, worden geïnfecteerd door schimmelas, zoals Candida albicans .

Complicaties bij een infectie

Als de wond niet behandeld wordt , kan een infectie uiteindelijk leiden tot blootstelling van onderliggende anatomische structuren als ligamenten (bindweefselband) of bot. Bij diabetische voetulcera is het essentieel te controleren of de infectie zich niet heeft verspreid tot het bot, in dat geval is een röntgenfoto of een MRI-scan noodzakelijk.

Systemische symptomen kunnen bestaan uit koorts, vermoeidheid, lymfangitis (een langwerpige rode en warme streep, verlopend langs een lymfbaan, meestal aan arm of been zichtbaar) en afwijkende laboratoriumuitslagen: BSE (bezinkingswaarde) en CRP (C-reactieve proteïne). Bij patiënten die een groter risico lopen, zoals bijvoorbeeld ouderen, mensen met een lage immuniteit, diabetici, rokers en zeer dikke mensen, leiden systemische infecties tot een hoger ziekte- en sterftecijfer.

Een infectie vereist altijd het gebruik van lokale of algemene (constitutionele of systemische) antibacteriële behandeling.

Een lokale infectie of kritieke kolonisatie (met plaatselijke tekenen als pus, roodheid, toegenomen exsudaat (wondvocht) of geur) moet worden onderscheiden van een infectie met regionale tekenen (medische cellulitis (een ontsteking van het onderhuidse bindweefsel)) of systemische tekenen (koorts).

Klik hier om meer te leren over infecties.

De grondbeginselen van wondgenezing

Wondgenezing, of wondherstel, is het natuurlijke proces van het lichaam waarbij huidweefsel vernieuwd wordt. Met het ontstaan van een wond vinden complexe biochemische reacties plaats, in een zorgvuldig georganiseerde cascade, om ervoor te zorgen dat de schade wordt gerepareerd.

Het genezingsproces

Het genezingsproces kan verdeeld worden in drie stadia, er is een zekere mate van overlap tussen de verschillende stadia, zoals uit de tabel blijkt.

De drie hoofdfasen van een normale genezing

Haemostasis
Inflammation
Granulatie/Epithelisatie Hermodellering
Tijd voordat de eerste fase ingaat / Uiterlijk van de wond Direct tot een aantal minuten Een paar uur tot een paar dagen Ongeveer 1 week (reorganisatie van de extracellulaire matrix)
Duur Een paar uur tot 2/3 dagen 1 tot 3 weken Een paar maanden tot een paar jaar
Belangrijkste cellen BloedplaatjesNeutrofielen, dan macrofagen +++ Fibroblasten +++Keratinocyten Macrofagen Fibroblasten
Werking
  • Vorming van een tijdelijke extracellulaire matrix
  • Uitscheiding en activering van mediatoren
  • Aantrekken van ontstekingscellen, fibroblasten en endotheelcellen

Vorming van granulatieweefsel:

  • Celproliferatie van de fibroblasten, endotheliale cellen
  • Samenstelling van een nieuw ECM
  • Angiogenese

Re-epithelisatie:

  • Transformatie van fibroblasten in myofibroblasten
  • Verplaatsing van epitheelcellen vanaf de randen
  • Restauratie van de bufferfunctie van de lederhuid door keratinocyten
  • Progressieve reorganisatie van de matrix onder invloed van myofibroblasten
  • Verandering in het percentage van verschillende collageensoorten: collageen I, collageen III
  • Apoptose van myofibroblasten
  • Samenstelling van een sterkere extracellulaire matrix door fibroblasten

 

Ontstekingsfase

inflamatory-phaseDe ontstekingsfase begint onmiddellijk en duurt, bij acute wonden, van een paar uur tot een paar dagen. Bij chronische wonden kan dit proces langer duren.

Een prop, die gevormd wordt na het scheuren van bloedvaten, bedekt de wond en vormt een tijdelijke extracellulaire matrix – opgebouwd uit fibrine en fibronectine – die de wond afsluit, het bloedverlies minimaliseert en celmigratie begeleidt. Bloedplaatjes scheiden mediatoren uit om ontstekingscellen te activeren (polynucleaire neutrofielen en macrofagen), fibroblasten en endotheelcellen. Aan het eind van de ontstekingsfase is het bloeden onder controle en het wondbed gereinigd door fagocytose (insluiting en vertering van ziekteverwekkers).

Proliferatiefase (granulatiefase)

proliferation-phaseDe granulatiefase kan snel beginnen door de verspreiding van endotheelcellen en fibroblasten, wat leidt tot de formatie van nieuwe bloedvaten (angiogenese) en de samenvoeging van een nieuwe extracellulaire matrix (ECM). Als de nieuwe ECM opnieuw gemodelleerd is, wordt de bestaande matrix afgebroken door een aantal proteasen, enzymen die bekend staan als matrix-metalloproteïnasen (MMP’s). De MMP’s assisteren bij het autolytisch debridement (zelfreiniging) van de wond en de celmigratie. Het aantal MMP’s in de wond neemt toe na de verwonding en neemt af als de ontsteking tot rust komt.

Daarna verkrijgen de fibroblasten de morfologische en biochemische eigenschappen van gladde spiercellen en worden myofibroblasten.

 Myofibroblasten zijn verantwoordelijk voor de synthese van de extracellulaire matrix en dragen bij aan de reorganisatie van de ECM bij het samentrekken van de wond. Re-epithelisatie vindt plaats om de wond te sluiten, door middel van migratie van epitheelcellen vanuit de wondranden en huidaanhangsels (nagels, haarzakjes, talg- en zweetklieren e.d.). Differentiatie van keratinocyten (celsoort waaruit de opperhuid is opgebouwd) helpt vervolgens de bufferfunctie van de opperhuid te herstellen.

De remodelleringsfase

remodelling-phaseDe laatste fase, de remodelleringsfase, duurt een aantal maanden en resulteert uiteindelijk in een litteken. Deze fase begint vroeg, al tijdens de aanmaak van het granulatieweefsel, met een progressieve reorganisatie van de matrix onder invloed van myofibroblasten. Deze cellen trekken hun microfilamentbundels samen, die vastzitten aan de extracellulaire matrix, wat verdichting van het collagene netwerk en samentrekking van de wond tot gevolg heeft. Nieuwe componenten worden vervolgens uitgescheiden om de dichtheid van de matrix te vergroten en deze te stabiliseren. Er is een verandering waarneembaar in de verhoudingen tussen de verschillende soorten collageen: collageen type I vermeerdert, terwijl collageen type III vermindert van 30% naar 10%. De celdichtheid van myofibroblasten wordt verminderd door apoptose (celdood) om ruimte over te houden voor fibroblasten, die de extracellulaire matrix versterken voor een betere weerstand tegen mechanische krachten.

Wondzorg

Wondzorgprotocollen zijn specifiek voor zowel binnen als buiten het ziekenhuis. Voordat de zorg wordt aangeboden, dient de zorgprofessional zich ervan te vergewissen dat het diagnostische proces en de evaluatie hiervan voltooid zijn en dat de oorzaak van de wond bekend is.

Genezing in een vochtige omgeving

Moist wound healing is 30% faster than wound healing in a dry environment.

Vochtige wondgenezing is 30% sneller dan wondgenezing in een droge omgeving.
Het natuurlijke genezingsproces vindt plaats in een vochtige wondomgeving. Cellulaire en moleculaire elementen verplaatsen zich en ontwikkelen zich onder deze omstandigheden effectiever. Dit is voor het eerst in 1962 aangetoond door Winter, die liet zien dat genezing onder een synthetisch semi-doorlatend verband sneller verliep dan wanneer men een wond ‘aan de lucht’ liet genezen. Genezing in een vochtige omgeving stimuleert de proliferatie (snelle vermenigvuldiging) van fibroblasten, die de elementen samenstellen van de nieuwe extracellulaire matrix (collageen en vezels) van de huid, om wondgenezing mogelijk te maken.

Bacteriologie van wonden

Doordat het oppervlak van de normale huid bacteriën herbergt (natuurlijke kolonisatie) is het onvermijdelijk dat deze ook aanwezig zijn in wonden.

Het verschil tussen kolonisatie en infectie is afhankelijk van het aantal en de soorten aanwezige bacteriën en de reactie van het lichaam hierop.

De aanwezigheid van grote hoeveelheden bacteriën belemmert het natuurlijke genezingsproces, wat leidt tot een vertraagde wondheling.

In tegenstelling tot een infectie is bacteriële kolonisatie volkomen normaal en behoeft geen specifieke therapeutische behandeling.

Kolonisatie

Kolonisatie is de aanwezigheid van bacteriën in een wond, zonder dat dit leidt tot een ontstekingsreactie.

Meestal wordt kolonisatie van een acute wond veroorzaakt door bacteriën als streptokokken en stafylokokken , die al aanwezig zijn op een normale gezonde huid (commensale organismen).

De bacteriepopulatie in chronische wonden is veel gevarieerder, inclusief de commensale huidbacteriën (leven van nature in of op de gastheer) als stafylokokken (s.aureus, coagulase-negatieve stafylokokken, stafylokokken),

  • corynebacteria
  • en α-hemolytische streptokokken. Volgend op de vermeerdering van micro-organismen in de wond en het vasthechten aan epitheelcellen ontstaat een balans tussen de patiënt en zijn microbiologische flora. De micro-organismen blijven aan de oppervlakte van de wond en kunnen daar een biofilm vormen.

    Biofilm

    Biofilms zijn complexe bacteriologische gebieden die bacteriën en schimmels bevatten. De micro-organismen synthetiseren en scheiden een beschermende matrix af, die de biofilm stevig verbindt met een levend (een wond e.d.) of een niet-levend oppervlak. Biofilms zijn dynamische heterogene gebieden die continu veranderen. Ze kunnen bestaan uit een enkele bacterie- of schimmelsoort, of uit veel verschillende soorten.
    Een biofilm kan worden omschreven als een dikke, slijmerige buffer van suikers en proteïnen, gevuld met bacteriën. Een kenmerkend voorbeeld van een biofilm is de gele slijmerige laag op de tanden als deze niet gepoetst zijn. De biofilm buffer beschermt de micro-organismen tegen invloeden van buitenaf. Biofilms kunnen optreden in wonden en kunnen waarschijnlijk de genezing in sommige gevallen vertragen.

    (gebaseerd op  : http://www.woundsinternational.com/made-easys/biofilms-made-easy)

    Infectie

    De term infectie wordt gebruik als de aanwezigheid van micro-organismen leidt tot een plaatselijke, regionale of algehele ontstekingsreactie met klinische symptomen. Een infectie vertraagt niet alleen de wondgenezing, maar kan ook leiden tot ernstige systemische complicaties. Een infectie vereist altijd behandeling met een desinfecterend middel of antibiotica.

    Een lokale infectie of kritische kolonisatie (met tekenen als pus, roodheid, toegenomen exsudaat of geur) moet worden onderscheiden van een infectie met regionale tekenen (medische cellulitis) of systemische tekenen (koorts).

    Klik hier om meer te leren over infecties.

    Genezende stappen

    Primaire genezing (zonder granulatie)

    Primaire genezing betreft chirurgische wonden of chirurgisch gehechte traumatische wonden. De primaire genezingsfase bestaat uit reconstructie van de samenhang van de huid en komt overeen met de tijd dat de chirurg de hechting laat zitten.

    Na een periode van vijf tot vijftien dagen worden de hechtingen verwijderd. De lengte van deze periode is afhankelijk van de dikte van de huid en de spanning die op de randen staat.

    De genezing is nog niet voltooid als de hechtingen worden verwijderd, omdat een ontstekingsreactie optreedt die tot twee maanden kan duren. Na twee, of zelfs drie maanden, wordt het litteken langzaamaan kleiner, hoewel het niet helemaal verdwijnt.

    Secundaire genezing (uitgestelde wondgenezing)

    Hierbij wordt de wond opengelaten Deze methode kan gebruikt worden bij aanzienlijk weefselverlies, het oppervlak is ondiep maar groot, of als er een infectie is geweest of het risico op infectie heeft bestaan (bij beten). Debridement (wondreiniging) is bijna altijd noodzakelijk als de eerste stap naar een succesvolle genezing. Wondgenezing vordert door granulatie, samentrekken en epithelisatie.

    Debridement of wondreiniging

    desloughingDe debridementfase is de fase na het schoonmaken van de wond en na het stoppen van de bloeding.

    In deze fase wordt alle lichaamsvreemde afval en/of necrotisch weefsel verwijderd. Als deze eliminatiefase voltooid is kan de weefselreconstructie beginnen. Bij een chronische wond is de debridementfase vaak de herstelfase die de weefselreconstructie belemmert. De term “debridement” omvat twee begrippen:

    • het natuurlijk debridement, dat tot stand wordt gebracht door onze eigen cellen. Dit is het reinigingsproces dat door het lichaam zelf wordt uitgevoerd, dankzij onze witte bloedcellen of proteolytische enzymen, die door onze witte bloedcellen geproduceerd worden.
    • Ondersteuning bij het debridement is onmisbaar als de eigen opruimcapaciteit van het lichaam de hoeveelheid weefselschade (exsudaat, dood weefsel) niet aankan.

    Hiervoor bestaat een aantal verschillende technieken.

    1.Autolytisch debridement

    Autolytisch debridement

    Autolytisch debridement is het bevorderen van de eliminatie van afval door het verzachten van het necrotische weefsel en/of het absorberen van exsudaat met een verband.

    Indicaties

    De indicaties kunnen verschillen en zijn afhankelijk van het soort necrose:

    • droge necrose: hydrogels
    • vochtige necrose: alginaat, hydrofibers en ‘hydrodesloughing’ vezels.

    Elk van deze verbanden heeft zijn eigen specifieke werking, afhankelijk van de necrosesoort.

    2. Enzymatisch debridement

    Grondbeginselen
    This consists in using proteolytic enzymes to compensate for the concentration of our own enzymes.

    Indications
    Er wordt gebruikgemaakt van proteolytische enzymen als tegenwicht voor onze eigen enzymenconcentratie.

    3. Biologisch debridement

    Principe
    Deze methode is gebaseerd op het verschijnsel dat sommige maden zich alleen voeden met necrotisch weefsel. Ook wordt vermoed dat hun bewegingen op de wond de mechanische genezing stimuleren.

    Grondbeginselen
    Deze methode kan zowel bij droge als bij vochtige necrose gebruikt worden.

    4. Ondersteuning van het debridement door negatieve druk

    Principle
    Ondersteuning door middel van negatieve druktherapie is een methode om vondvocht en organisch afval te verwijderen door gebruik te maken van een druk die lager is dan de atmosferische druk. Deze constante aspiratiedruk wordt uitgeoefend door een schuimlaag van polyurethaan of door een kussentje. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een aspiratiemotor. De druk kan worden aangepast op basis van de wondsoort: van 50 mmHg voor brandwonden tot 175 mmHg voor chirurgische wonden.

    Indicaties
    Deze methode is geïndiceerd bij het debridement van zeer moeilijk te genezen wonden en voor het versnellen van het granulatieproces.

    5. Mechanisch debridement

    Grondbeginselen
    Deze behandelmethode maakt gebruik van een uiteenlopende reeks instrumenten, zoals een scalpel, pincet, schaar of curette.
    Hiermee wordt verzwakt weefsel weggesneden vanuit het midden van de wond naar de randen toe.

    Indicaties
    Mechanical desloughing is often employed in addition to the use of dressings.
    It is also used for trimming blisters.

    6. Chirurgisch debridement

    Grondbeginselen
    Chirurgisch debridement is een chirurgische methode.
    Deze methode maakt het mogelijk alle necrotisch weefsel te verwijderen bij moeilijk te genezen wonden.
    Als de wond geïnfecteerd is kan de methode gebruikt worden om alle geïnfecteerd weefsel te verwijderen. Over het algemeen wordt de methode gebruikt bij wonden die niet op een zachtaardiger manier te behandelen zijn

    Indicaties
    Voor alle necrose die niet op een gemakkelijker manier verwijderd kan worden.

    7. Debridement met een waterjet

    Grondbeginselen
    This is performed using water jets of variable pressures depending on the type of system. The level of wound desloughing varies according to the pressure delivered: the wound can be cleaned at low pressure or the tissue trimmed at high pressure.

    Indicaties
    Waterjets worden naast andere methoden van weefselverwijdering gebruikt.

    Granulatie

    granulationAls het necrotische weefsel eenmaal verwijderd is worden door neovascularisatie (bloedvatenvorming) knoppen gevormd die
    geleidelijk aan het wondbed vullen.

    Granulatieweefsel bevat fibroblasten, collageen en elastine.

    Granulatie stopt normaalgesproken als het volume van het verloren gegane weefsel is vervangen. Het kan echter ook voorkomen dat een teveel aan granulatie ontstaat. Hypergranulatie dient beperkt te worden om de volgende fase epithelisatie, niet te belemmeren.

    Epithelisatie

    epithelisationAls de granulatie eenmaal voltooid is en de verloren lederhuid is vervangen, kan de laatste epithelisatie beginnen, de eindfase van het genezingsproces.

    Er is geen basale laag meer, dus de epithelisatie vindt plaats van wondrand tot wondrand.

    Aan de randen glijden de basaalcellen over het oppervlak van de granulatieknoppen en produceren een nieuwe opperhuid op het oppervlak van de genezen wond.

    Het uiteindelijke litteken ziet er niet hetzelfde uit als de normale huid. Er is geen haargroei, geen vet- en talgklieren en de gevoeligheid is verminderd.

    Verbandmaterialen

    Verbandmaterialen

    Er zijn verschillende medische producten verkrijgbaar om de wond te verbinden, afhankelijk van de wondsoort, de mate van exsudaat, of de wond wel of niet geïnfecteerd is en het stadium van genezing.

    De verschillende productgroepen zijn:

    Hydrogels

    Hydrogels geven water af. Hydrogels bevatten ruim 80% water en zijn zelfhechtend, zodat ze niet verschuiven en goed op de wond blijven zitten. Hydrogels bevorderen de debridementfase bij droge fibrine en droge necrose.

    Lees meer

    hydrogelsHydrogels bestaan voor 80% uit water, met of zonder carboxymethylcellulose (CMC).
    Verkrijgbaar als gel, pleister of een geïmpregneerd kussentje.
    De hydrogel maakt het weefsel vochtig en zachter, zodat het gemakkelijker te verwijderen is.

    Alginaat – Hydrofibers – ‘Hydro-reinigende’ verbanden

    Dit zijn sterk absorberende verbanden, die geïndiceerd zijn bij een debridement van nat dood weefsel en necrose.

    Lees meer

    alginates-hydrofibre-hydro-desloughing-dressingsDe UrgoClean verbandserie, een vernieuwing van URGO, is samengesteld uit ‘hydrodesloughing’ vezels met een groot vermogen tot absorptie, opvangen en afvoeren van de dode weefselrestanten.

    Deze nieuwe generatie ‘hydrodesloughing’ vezels zijn opgebouwd uit polyacrylate polymeren, liggend om een binnenste van acryl, om het verband in zijn geheel te kunnen verwijderen.

    Hydrocellulaire en schuimverbanden

    Hydrocellulaire en schuimverbanden absorberen, zijn semi-doorlatende of niet-doorlatende verbanden van polyurethaan, geïndiceerd voor de behandeling van exsuderende wonden. Er is een breed aanbod aan hydrocellulaire en schuimverbanden verkrijgbaar, die worden gebruikt in de epithelisatiefase (lichte hydrocellulaire- of schuimverbanden).

    Standard hydrocolloïden

    Hydrocolloïden zijn de pioniers op het gebied van vochtige wondgenezing en zijn hoofdzakelijk samengesteld uit carboxymethylcellulose. Karakteristieke eigenschappen zijn absorptie, zwelling en gelvorming.

    Hydrocolloïden worden aanbevolen voor gebruik in de granulatie- en epithelisatiefase (dunne hydrocolloïden).

    Vetgaas en geïmpregneerde kussentjes

    Deze zijn samengesteld uit een los katoenen gaaswerk, geïmpregneerd met een vettige substantie en worden meestal gebruikt in de epithelisatiefase.

    Contactlagen

    Verbindingen, samengesteld uit een strak gaaswerk van synthetisch materiaal en bedekt met een speciale substantie, aanbevolen voor gebruik aan het einde van de granulatie- en epithelisatiefase.

    Werkzaamheid van de verbanden

    Deze verbanden bevatten actieve substanties voor specifieke doeleinden:

    • Bevorderen en stimuleren van de wondgenezing
    • Zorgen voor een antibacteriële werking
    • Beheersen van onaangename geuren

    Koolstofverband

    Koolstofverbanden zijn geurabsorberend, nemen de onaangename wondgeur weg door het absorberen van bacteriën en bacteriesporen van de wond.

     

    Deze adviezen of aanbevelingen zijn geen vervanging voor deskundig advies op basis van een volledige diagnose.

    Last update : September 5, 2017